roemen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of roemen

The word "roemen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: roemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: roemend
Past participle - Verleden deelwoord: geroemd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroem
jijroemt
hijroemt
wijroemen
jullieroemen
zijroemen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroemd
jijhebt geroemd
hijheeft geroemd
wijhebben geroemd
julliehebben geroemd
zijhebben geroemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroemde
jijroemde
hijroemde
wijroemden
jullieroemden
zijroemden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroemd
jijhad geroemd
hijhad geroemd
wijhadden geroemd
julliehadden geroemd
zijhadden geroemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal roemen
jijzult roemen
hijzal roemen
wijzullen roemen
julliezullen roemen
zijzullen roemen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroemd hebben
jijzult geroemd hebben
hijzal geroemd hebben
wijzullen geroemd hebben
julliezullen geroemd hebben
zijzullen geroemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou roemen
jijzou roemen
hijzou roemen
wijzouden roemen
julliezouden roemen
zijzouden roemen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroemd hebben
jijzou geroemd hebben
hijzou geroemd hebben
wijzouden geroemd hebben
julliezouden geroemd hebben
zijzouden geroemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroem

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch roemen, from Old Dutch ruomen, from Proto-West Germanic *hrōmijan.

Additional Information