pokeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pokeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pokeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pokerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepokerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpoker
jijpokert
hijpokert
wijpokeren
julliepokeren
zijpokeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepokerd
jijhebt gepokerd
hijheeft gepokerd
wijhebben gepokerd
julliehebben gepokerd
zijhebben gepokerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpokerde
jijpokerde
hijpokerde
wijpokerden
julliepokerden
zijpokerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepokerd
jijhad gepokerd
hijhad gepokerd
wijhadden gepokerd
julliehadden gepokerd
zijhadden gepokerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pokeren
jijzult pokeren
hijzal pokeren
wijzullen pokeren
julliezullen pokeren
zijzullen pokeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepokerd hebben
jijzult gepokerd hebben
hijzal gepokerd hebben
wijzullen gepokerd hebben
julliezullen gepokerd hebben
zijzullen gepokerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pokeren
jijzou pokeren
hijzou pokeren
wijzouden pokeren
julliezouden pokeren
zijzouden pokeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepokerd hebben
jijzou gepokerd hebben
hijzou gepokerd hebben
wijzouden gepokerd hebben
julliezouden gepokerd hebben
zijzouden gepokerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpoker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From poker + -en.

Additional Information