pimpelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pimpelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pimpelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pimpelend
Past participle - Verleden deelwoord: gepimpeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpimpel
jijpimpelt
hijpimpelt
wijpimpelen
julliepimpelen
zijpimpelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepimpeld
jijhebt gepimpeld
hijheeft gepimpeld
wijhebben gepimpeld
julliehebben gepimpeld
zijhebben gepimpeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpimpelde
jijpimpelde
hijpimpelde
wijpimpelden
julliepimpelden
zijpimpelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepimpeld
jijhad gepimpeld
hijhad gepimpeld
wijhadden gepimpeld
julliehadden gepimpeld
zijhadden gepimpeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pimpelen
jijzult pimpelen
hijzal pimpelen
wijzullen pimpelen
julliezullen pimpelen
zijzullen pimpelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepimpeld hebben
jijzult gepimpeld hebben
hijzal gepimpeld hebben
wijzullen gepimpeld hebben
julliezullen gepimpeld hebben
zijzullen gepimpeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pimpelen
jijzou pimpelen
hijzou pimpelen
wijzouden pimpelen
julliezouden pimpelen
zijzouden pimpelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepimpeld hebben
jijzou gepimpeld hebben
hijzou gepimpeld hebben
wijzouden gepimpeld hebben
julliezouden gepimpeld hebben
zijzouden gepimpeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpimpel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From pimpeltje.

Additional Information