overkoepelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overkoepelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overkoepelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overkoepelend
Past participle - Verleden deelwoord: overkoepeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoverkoepel
jijoverkoepelt
hijoverkoepelt
wijoverkoepelen
jullieoverkoepelen
zijoverkoepelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overkoepeld
jijhebt overkoepeld
hijheeft overkoepeld
wijhebben overkoepeld
julliehebben overkoepeld
zijhebben overkoepeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoverkoepelde
jijoverkoepelde
hijoverkoepelde
wijoverkoepelden
jullieoverkoepelden
zijoverkoepelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overkoepeld
jijhad overkoepeld
hijhad overkoepeld
wijhadden overkoepeld
julliehadden overkoepeld
zijhadden overkoepeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overkoepelen
jijzult overkoepelen
hijzal overkoepelen
wijzullen overkoepelen
julliezullen overkoepelen
zijzullen overkoepelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overkoepeld hebben
jijzult overkoepeld hebben
hijzal overkoepeld hebben
wijzullen overkoepeld hebben
julliezullen overkoepeld hebben
zijzullen overkoepeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overkoepelen
jijzou overkoepelen
hijzou overkoepelen
wijzouden overkoepelen
julliezouden overkoepelen
zijzouden overkoepelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overkoepeld hebben
jijzou overkoepeld hebben
hijzou overkoepeld hebben
wijzouden overkoepeld hebben
julliezouden overkoepeld hebben
zijzouden overkoepeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoverkoepel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From over- + koepel + -en.

Additional Information