oppeuzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oppeuzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oppeuzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oppeuzelend
Past participle - Verleden deelwoord: opgepeuzeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeuzel op
jijpeuzelt op
hijpeuzelt op
wijpeuzelen op
julliepeuzelen op
zijpeuzelen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgepeuzeld
jijhebt opgepeuzeld
hijheeft opgepeuzeld
wijhebben opgepeuzeld
julliehebben opgepeuzeld
zijhebben opgepeuzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeuzelde op
jijpeuzelde op
hijpeuzelde op
wijpeuzelden op
julliepeuzelden op
zijpeuzelden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgepeuzeld
jijhad opgepeuzeld
hijhad opgepeuzeld
wijhadden opgepeuzeld
julliehadden opgepeuzeld
zijhadden opgepeuzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oppeuzelen
jijzult oppeuzelen
hijzal oppeuzelen
wijzullen oppeuzelen
julliezullen oppeuzelen
zijzullen oppeuzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgepeuzeld hebben
jijzult opgepeuzeld hebben
hijzal opgepeuzeld hebben
wijzullen opgepeuzeld hebben
julliezullen opgepeuzeld hebben
zijzullen opgepeuzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oppeuzelen
jijzou oppeuzelen
hijzou oppeuzelen
wijzouden oppeuzelen
julliezouden oppeuzelen
zijzouden oppeuzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgepeuzeld hebben
jijzou opgepeuzeld hebben
hijzou opgepeuzeld hebben
wijzouden opgepeuzeld hebben
julliezouden opgepeuzeld hebben
zijzouden opgepeuzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeuzel op

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From op + peuzelen.

Additional Information