ophemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ophemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ophemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ophemelend
Past participle - Verleden deelwoord: opgehemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhemel op
jijhemelt op
hijhemelt op
wijhemelen op
julliehemelen op
zijhemelen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgehemeld
jijhebt opgehemeld
hijheeft opgehemeld
wijhebben opgehemeld
julliehebben opgehemeld
zijhebben opgehemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhemelde op
jijhemelde op
hijhemelde op
wijhemelden op
julliehemelden op
zijhemelden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgehemeld
jijhad opgehemeld
hijhad opgehemeld
wijhadden opgehemeld
julliehadden opgehemeld
zijhadden opgehemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ophemelen
jijzult ophemelen
hijzal ophemelen
wijzullen ophemelen
julliezullen ophemelen
zijzullen ophemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgehemeld hebben
jijzult opgehemeld hebben
hijzal opgehemeld hebben
wijzullen opgehemeld hebben
julliezullen opgehemeld hebben
zijzullen opgehemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ophemelen
jijzou ophemelen
hijzou ophemelen
wijzouden ophemelen
julliezouden ophemelen
zijzouden ophemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgehemeld hebben
jijzou opgehemeld hebben
hijzou opgehemeld hebben
wijzouden opgehemeld hebben
julliezouden opgehemeld hebben
zijzouden opgehemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhemel op

Translations

  • extol, to praise; to make high
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch ophemelen (“to hide”). Equivalent to op + hemelen.

    Additional Information