ontpolderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontpolderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontpolderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontpolderend
Past participle - Verleden deelwoord: ontpolderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontpolder
jijontpoldert
hijontpoldert
wijontpolderen
jullieontpolderen
zijontpolderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontpolderd
jijhebt ontpolderd
hijheeft ontpolderd
wijhebben ontpolderd
julliehebben ontpolderd
zijhebben ontpolderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontpolderde
jijontpolderde
hijontpolderde
wijontpolderden
jullieontpolderden
zijontpolderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontpolderd
jijhad ontpolderd
hijhad ontpolderd
wijhadden ontpolderd
julliehadden ontpolderd
zijhadden ontpolderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontpolderen
jijzult ontpolderen
hijzal ontpolderen
wijzullen ontpolderen
julliezullen ontpolderen
zijzullen ontpolderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontpolderd hebben
jijzult ontpolderd hebben
hijzal ontpolderd hebben
wijzullen ontpolderd hebben
julliezullen ontpolderd hebben
zijzullen ontpolderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontpolderen
jijzou ontpolderen
hijzou ontpolderen
wijzouden ontpolderen
julliezouden ontpolderen
zijzouden ontpolderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontpolderd hebben
jijzou ontpolderd hebben
hijzou ontpolderd hebben
wijzouden ontpolderd hebben
julliezouden ontpolderd hebben
zijzouden ontpolderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontpolder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From polder + ont- -en.

Additional Information