ontgrendelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontgrendelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontgrendelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontgrendelend
Past participle - Verleden deelwoord: ontgrendeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontgrendel
jijontgrendelt
hijontgrendelt
wijontgrendelen
jullieontgrendelen
zijontgrendelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontgrendeld
jijhebt ontgrendeld
hijheeft ontgrendeld
wijhebben ontgrendeld
julliehebben ontgrendeld
zijhebben ontgrendeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontgrendelde
jijontgrendelde
hijontgrendelde
wijontgrendelden
jullieontgrendelden
zijontgrendelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontgrendeld
jijhad ontgrendeld
hijhad ontgrendeld
wijhadden ontgrendeld
julliehadden ontgrendeld
zijhadden ontgrendeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontgrendelen
jijzult ontgrendelen
hijzal ontgrendelen
wijzullen ontgrendelen
julliezullen ontgrendelen
zijzullen ontgrendelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontgrendeld hebben
jijzult ontgrendeld hebben
hijzal ontgrendeld hebben
wijzullen ontgrendeld hebben
julliezullen ontgrendeld hebben
zijzullen ontgrendeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontgrendelen
jijzou ontgrendelen
hijzou ontgrendelen
wijzouden ontgrendelen
julliezouden ontgrendelen
zijzouden ontgrendelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontgrendeld hebben
jijzou ontgrendeld hebben
hijzou ontgrendeld hebben
wijzouden ontgrendeld hebben
julliezouden ontgrendeld hebben
zijzouden ontgrendeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontgrendel

Translations

  • unlock, to undo or open a lock
  • unlock, give access to something
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From ont- + grendelen or grendel + ont- -en.

    Additional Information