Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: onen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onend
Past participle - Verleden deelwoord: geond
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | on |
| jij | ont |
| hij | ont |
| wij | onen |
| jullie | onen |
| zij | onen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geond |
| jij | hebt geond |
| hij | heeft geond |
| wij | hebben geond |
| jullie | hebben geond |
| zij | hebben geond |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | onde |
| jij | onde |
| hij | onde |
| wij | onden |
| jullie | onden |
| zij | onden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geond |
| jij | had geond |
| hij | had geond |
| wij | hadden geond |
| jullie | hadden geond |
| zij | hadden geond |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal onen |
| jij | zult onen |
| hij | zal onen |
| wij | zullen onen |
| jullie | zullen onen |
| zij | zullen onen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geond hebben |
| jij | zult geond hebben |
| hij | zal geond hebben |
| wij | zullen geond hebben |
| jullie | zullen geond hebben |
| zij | zullen geond hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou onen |
| jij | zou onen |
| hij | zou onen |
| wij | zouden onen |
| jullie | zouden onen |
| zij | zouden onen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geond hebben |
| jij | zou geond hebben |
| hij | zou geond hebben |
| wij | zouden geond hebben |
| jullie | zouden geond hebben |
| zij | zouden geond hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'onen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'onen'
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
In het voorjaar onen de schapen, dan brengen zij lammeren ter wereld. [1998 November 16, Nico ter Linden, “Verrassend Stellingwerfs”, in Trouw:]
-
2010, Gerbrand Bakker, Boven is het stil, Uitgeverij Cossee, 20th ed. (1st ed. from 2006).
-
‘Waarom?’ vraagt hij.
-
‘Omdat ze dan gaan onen.’
-
‘Wat?’
-
‘Onen. Lammeren.’ ((please add an English translation of this quotation))
-
De eigenaar kan nu veel meer schapen laten onen wanneer het hem pas.^([sic]) (The owner can now let a lot more sheep yean when it suits him.) [2012 January 3, Winnie van Galen, “Eigenwijze lammetjes bij Ilona en Rob”, in Noordhollands Dagblad:]
Etymology
From Middle Dutch *ônen, from Old Dutch *ōnon, from Proto-West Germanic *aunōn, from Proto-Germanic *aunōną. See: Old Dutch '*ōnon', Proto-Germanic '
*aunōną'.
Verbs referencing "onen"
English
yean, Old English
eanian.
Additional Information