Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: mengen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mengend
Past participle - Verleden deelwoord: gemengd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | meng |
| jij | mengt |
| hij | mengt |
| wij | mengen |
| jullie | mengen |
| zij | mengen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gemengd |
| jij | hebt gemengd |
| hij | heeft gemengd |
| wij | hebben gemengd |
| jullie | hebben gemengd |
| zij | hebben gemengd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | mengde |
| jij | mengde |
| hij | mengde |
| wij | mengden |
| jullie | mengden |
| zij | mengden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gemengd |
| jij | had gemengd |
| hij | had gemengd |
| wij | hadden gemengd |
| jullie | hadden gemengd |
| zij | hadden gemengd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal mengen |
| jij | zult mengen |
| hij | zal mengen |
| wij | zullen mengen |
| jullie | zullen mengen |
| zij | zullen mengen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gemengd hebben |
| jij | zult gemengd hebben |
| hij | zal gemengd hebben |
| wij | zullen gemengd hebben |
| jullie | zullen gemengd hebben |
| zij | zullen gemengd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou mengen |
| jij | zou mengen |
| hij | zou mengen |
| wij | zouden mengen |
| jullie | zouden mengen |
| zij | zouden mengen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gemengd hebben |
| jij | zou gemengd hebben |
| hij | zou gemengd hebben |
| wij | zouden gemengd hebben |
| jullie | zouden gemengd hebben |
| zij | zouden gemengd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'mengen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'mengen'
lengen,
menen,
zengen,
bergen,
brengen,
delgen,
denken,
dingen,
hangen,
keggen,
Translations
mix, stir two or more substances together
Sample Sentences
-
[...] en citroenboomen, doch allen wild, en althans tegenwoordig, weinig vrucht dragende. De groene limmetjes, die ik bijeenzamelde, waren echter niet alleen lekker maar ook zeer gezond, en naderhand mengde ik hun sap met water, waardoor het zeer gezond, koel en verfrisschend was. Ik vond hier werk genoeg en besloot een voorraad aan te leggen van druiven, zoo wel als van limmetjes en limoenen, om mij [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] zoo vele eeuwen straffeloos hunnen gang te laten gaan, en als het ware tot de uitvoerders zijner straffen jegens hen onder elkander te maken; alsmede welk regt ik had mij in dien bloedigen strijd te mengen, dien zij onderling voerden.
(Robinson Crusoe)
-
[...] en ik mij zelven een gewissen dood op den hals halen, waartoe ik voor als nog in het geheel geen roeping gevoelde. Om kort te gaan, ik besloot, dat het mij geraden was, mij hierin volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch mengen, from Old Dutch *mengen, from Proto-West Germanic *mangijan.
Verbs referencing "mengen"
English
ming, Old English
mengan, German, old spelling
mengen.
Additional Information