meerinkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meerinkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meerinkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meerinkelend
Past participle - Verleden deelwoord: meegerinkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrinkel mee
jijrinkelt mee
hijrinkelt mee
wijrinkelen mee
jullierinkelen mee
zijrinkelen mee

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb meegerinkeld
jijhebt meegerinkeld
hijheeft meegerinkeld
wijhebben meegerinkeld
julliehebben meegerinkeld
zijhebben meegerinkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrinkelde mee
jijrinkelde mee
hijrinkelde mee
wijrinkelden mee
jullierinkelden mee
zijrinkelden mee

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad meegerinkeld
jijhad meegerinkeld
hijhad meegerinkeld
wijhadden meegerinkeld
julliehadden meegerinkeld
zijhadden meegerinkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meerinkelen
jijzult meerinkelen
hijzal meerinkelen
wijzullen meerinkelen
julliezullen meerinkelen
zijzullen meerinkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal meegerinkeld hebben
jijzult meegerinkeld hebben
hijzal meegerinkeld hebben
wijzullen meegerinkeld hebben
julliezullen meegerinkeld hebben
zijzullen meegerinkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meerinkelen
jijzou meerinkelen
hijzou meerinkelen
wijzouden meerinkelen
julliezouden meerinkelen
zijzouden meerinkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou meegerinkeld hebben
jijzou meegerinkeld hebben
hijzou meegerinkeld hebben
wijzouden meegerinkeld hebben
julliezouden meegerinkeld hebben
zijzouden meegerinkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrinkel mee

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information