leen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of leen

The word "leen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: leen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: leend
Past participle - Verleden deelwoord: geled

Cognates

See the 2 cognates of leen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikle
jijlet
hijlet
wijleen
jullieleen
zijleen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geled
jijhebt geled
hijheeft geled
wijhebben geled
julliehebben geled
zijhebben geled

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklede
jijlede
hijlede
wijleden
jullieleden
zijleden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geled
jijhad geled
hijhad geled
wijhadden geled
julliehadden geled
zijhadden geled

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal leen
jijzult leen
hijzal leen
wijzullen leen
julliezullen leen
zijzullen leen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geled hebben
jijzult geled hebben
hijzal geled hebben
wijzullen geled hebben
julliezullen geled hebben
zijzullen geled hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou leen
jijzou leen
hijzou leen
wijzouden leen
julliezouden leen
zijzouden leen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geled hebben
jijzou geled hebben
hijzou geled hebben
wijzouden geled hebben
julliezouden geled hebben
zijzouden geled hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijle

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "leen"

English loan.

Additional Information