knisteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of knisteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: knisteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knisterend
Past participle - Verleden deelwoord: geknisterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikknister
jijknistert
hijknistert
wijknisteren
jullieknisteren
zijknisteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geknisterd
jijhebt geknisterd
hijheeft geknisterd
wijhebben geknisterd
julliehebben geknisterd
zijhebben geknisterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikknisterde
jijknisterde
hijknisterde
wijknisterden
jullieknisterden
zijknisterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geknisterd
jijhad geknisterd
hijhad geknisterd
wijhadden geknisterd
julliehadden geknisterd
zijhadden geknisterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal knisteren
jijzult knisteren
hijzal knisteren
wijzullen knisteren
julliezullen knisteren
zijzullen knisteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geknisterd hebben
jijzult geknisterd hebben
hijzal geknisterd hebben
wijzullen geknisterd hebben
julliezullen geknisterd hebben
zijzullen geknisterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou knisteren
jijzou knisteren
hijzou knisteren
wijzouden knisteren
julliezouden knisteren
zijzouden knisteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geknisterd hebben
jijzou geknisterd hebben
hijzou geknisterd hebben
wijzouden geknisterd hebben
julliezouden geknisterd hebben
zijzouden geknisterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijknister

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from German knistern. See: German, old spelling 'knistern'.

Verbs referencing "knisteren"

German, old spelling knistern.

Additional Information