Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: knevelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knevelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekneveld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | knevel |
| jij | knevelt |
| hij | knevelt |
| wij | knevelen |
| jullie | knevelen |
| zij | knevelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gekneveld |
| jij | hebt gekneveld |
| hij | heeft gekneveld |
| wij | hebben gekneveld |
| jullie | hebben gekneveld |
| zij | hebben gekneveld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | knevelde |
| jij | knevelde |
| hij | knevelde |
| wij | knevelden |
| jullie | knevelden |
| zij | knevelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gekneveld |
| jij | had gekneveld |
| hij | had gekneveld |
| wij | hadden gekneveld |
| jullie | hadden gekneveld |
| zij | hadden gekneveld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal knevelen |
| jij | zult knevelen |
| hij | zal knevelen |
| wij | zullen knevelen |
| jullie | zullen knevelen |
| zij | zullen knevelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gekneveld hebben |
| jij | zult gekneveld hebben |
| hij | zal gekneveld hebben |
| wij | zullen gekneveld hebben |
| jullie | zullen gekneveld hebben |
| zij | zullen gekneveld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou knevelen |
| jij | zou knevelen |
| hij | zou knevelen |
| wij | zouden knevelen |
| jullie | zouden knevelen |
| zij | zouden knevelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gekneveld hebben |
| jij | zou gekneveld hebben |
| hij | zou gekneveld hebben |
| wij | zouden gekneveld hebben |
| jullie | zouden gekneveld hebben |
| zij | zouden gekneveld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'knevelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'knevelen'
krevelen,
nevelen,
afknevelen,
benevelen,
bevelen,
drevelen,
hevelen,
kavelen,
kegelen,
kekelen,
Translations
gag, To restrain someone's speech
hog-tie, figurative use
Sample Sentences
-
[...] gekomen. Dit berigt, dat het een blanke was, deed mijn afschuw ten top stijgen, en naar den boom gaande zag ik door mijn kijker duidelijk den blanke, die op het strand lag, aan handen en voeten gekneveld met eene soort van biezen, en dat hij een Europeër was, en kleederen aanhad.
(Robinson Crusoe)
-
[...] en voeten gebonden om geslagt te worden, en schier dood van schrik, niet wetende wat er gebeurde, daar hij niet over de zijde der kanoe heen had kunnen zien; hij was zoo stijf gebonden, en zoo lang gekneveld geweest, dat er schier geen leven meer in hem was.
(Robinson Crusoe)
-
[...] was het eene treurige plaats, vooral voor lieden in hunnen toestand. De anderen liet ik naar mijne buitenplaats brengen, die ik hiervoor uitvoerig genoeg beschreven heb, en daar deze omheind en zij gekneveld waren, was de plaats sterk genoeg om hen te bewaren.
(Robinson Crusoe)
Etymology
Verbs referencing "knevelen"
Norwegian
kneble, German, old spelling
knebeln.
Additional Information