klooien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of klooien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: klooien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klooiend
Past participle - Verleden deelwoord: geklooid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklooi
jijklooit
hijklooit
wijklooien
jullieklooien
zijklooien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geklooid
jijhebt geklooid
hijheeft geklooid
wijhebben geklooid
julliehebben geklooid
zijhebben geklooid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikklooide
jijklooide
hijklooide
wijklooiden
jullieklooiden
zijklooiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geklooid
jijhad geklooid
hijhad geklooid
wijhadden geklooid
julliehadden geklooid
zijhadden geklooid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal klooien
jijzult klooien
hijzal klooien
wijzullen klooien
julliezullen klooien
zijzullen klooien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geklooid hebben
jijzult geklooid hebben
hijzal geklooid hebben
wijzullen geklooid hebben
julliezullen geklooid hebben
zijzullen geklooid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou klooien
jijzou klooien
hijzou klooien
wijzouden klooien
julliezouden klooien
zijzouden klooien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geklooid hebben
jijzou geklooid hebben
hijzou geklooid hebben
wijzouden geklooid hebben
julliezouden geklooid hebben
zijzouden geklooid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklooi

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

donderjagen
donderen, donderstenen
rotzooien
knoeien, scharrelen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch clôyen (variant of clouwen), from Old Dutch *clōien (variant of *clouen), from Proto-Germanic *klawjaną; possibly related to klooi and a doublet of klauwen. See: Proto-Germanic '*klawjaną'.

Additional Information