kiemen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kiemen

The word "kiemen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kiemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kiemend
Past participle - Verleden deelwoord: gekiemd

Cognates

See the 3 cognates of kiemen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkiem
jijkiemt
hijkiemt
wijkiemen
julliekiemen
zijkiemen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekiemd
jijhebt gekiemd
hijheeft gekiemd
wijhebben gekiemd
julliehebben gekiemd
zijhebben gekiemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkiemde
jijkiemde
hijkiemde
wijkiemden
julliekiemden
zijkiemden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekiemd
jijhad gekiemd
hijhad gekiemd
wijhadden gekiemd
julliehadden gekiemd
zijhadden gekiemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kiemen
jijzult kiemen
hijzal kiemen
wijzullen kiemen
julliezullen kiemen
zijzullen kiemen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekiemd hebben
jijzult gekiemd hebben
hijzal gekiemd hebben
wijzullen gekiemd hebben
julliezullen gekiemd hebben
zijzullen gekiemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kiemen
jijzou kiemen
hijzou kiemen
wijzouden kiemen
julliezouden kiemen
zijzouden kiemen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekiemd hebben
jijzou gekiemd hebben
hijzou gekiemd hebben
wijzouden gekiemd hebben
julliezouden gekiemd hebben
zijzouden gekiemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkiem

Translations

  • pullulate, to germinate
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From kiem + -en.

    Verbs referencing "kiemen"

    Luxembourgish kéngen.

    Additional Information