kelneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kelneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kelneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kelnerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekelnerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkelner
jijkelnert
hijkelnert
wijkelneren
julliekelneren
zijkelneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekelnerd
jijhebt gekelnerd
hijheeft gekelnerd
wijhebben gekelnerd
julliehebben gekelnerd
zijhebben gekelnerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkelnerde
jijkelnerde
hijkelnerde
wijkelnerden
julliekelnerden
zijkelnerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekelnerd
jijhad gekelnerd
hijhad gekelnerd
wijhadden gekelnerd
julliehadden gekelnerd
zijhadden gekelnerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kelneren
jijzult kelneren
hijzal kelneren
wijzullen kelneren
julliezullen kelneren
zijzullen kelneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekelnerd hebben
jijzult gekelnerd hebben
hijzal gekelnerd hebben
wijzullen gekelnerd hebben
julliezullen gekelnerd hebben
zijzullen gekelnerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kelneren
jijzou kelneren
hijzou kelneren
wijzouden kelneren
julliezouden kelneren
zijzouden kelneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekelnerd hebben
jijzou gekelnerd hebben
hijzou gekelnerd hebben
wijzouden gekelnerd hebben
julliezouden gekelnerd hebben
zijzouden gekelnerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkelner

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information