kalefateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kalefateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kalefateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kalefaterend
Past participle - Verleden deelwoord: gekalefaterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkalefater
jijkalefatert
hijkalefatert
wijkalefateren
julliekalefateren
zijkalefateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekalefaterd
jijhebt gekalefaterd
hijheeft gekalefaterd
wijhebben gekalefaterd
julliehebben gekalefaterd
zijhebben gekalefaterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkalefaterde
jijkalefaterde
hijkalefaterde
wijkalefaterden
julliekalefaterden
zijkalefaterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekalefaterd
jijhad gekalefaterd
hijhad gekalefaterd
wijhadden gekalefaterd
julliehadden gekalefaterd
zijhadden gekalefaterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kalefateren
jijzult kalefateren
hijzal kalefateren
wijzullen kalefateren
julliezullen kalefateren
zijzullen kalefateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekalefaterd hebben
jijzult gekalefaterd hebben
hijzal gekalefaterd hebben
wijzullen gekalefaterd hebben
julliezullen gekalefaterd hebben
zijzullen gekalefaterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kalefateren
jijzou kalefateren
hijzou kalefateren
wijzouden kalefateren
julliezouden kalefateren
zijzouden kalefateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekalefaterd hebben
jijzou gekalefaterd hebben
hijzou gekalefaterd hebben
wijzouden gekalefaterd hebben
julliezouden gekalefaterd hebben
zijzouden gekalefaterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkalefater

Translations

  • caulk, to seal joints with caulk
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle French calefater, calafater (“to caulk”), from Italian calafatare (“to caulk”), ultimately from Arabic قَلْفَطَ (qalfaṭa, “to caulk”), perhaps via Byzantine Greek καλαφατέω (kalaphatéō, “to caulk”). The Dutch verb originally meant "to caulk" and later developed the sense "to patch up". See: Italian 'calafatare'.

    Verbs referencing "kalefateren"

    Swedish kalfatra.

    Additional Information