kaderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kaderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kaderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kaderend
Past participle - Verleden deelwoord: gekaderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkader
jijkadert
hijkadert
wijkaderen
julliekaderen
zijkaderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekaderd
jijhebt gekaderd
hijheeft gekaderd
wijhebben gekaderd
julliehebben gekaderd
zijhebben gekaderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkaderde
jijkaderde
hijkaderde
wijkaderden
julliekaderden
zijkaderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekaderd
jijhad gekaderd
hijhad gekaderd
wijhadden gekaderd
julliehadden gekaderd
zijhadden gekaderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kaderen
jijzult kaderen
hijzal kaderen
wijzullen kaderen
julliezullen kaderen
zijzullen kaderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekaderd hebben
jijzult gekaderd hebben
hijzal gekaderd hebben
wijzullen gekaderd hebben
julliezullen gekaderd hebben
zijzullen gekaderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kaderen
jijzou kaderen
hijzou kaderen
wijzouden kaderen
julliezouden kaderen
zijzouden kaderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekaderd hebben
jijzou gekaderd hebben
hijzou gekaderd hebben
wijzouden gekaderd hebben
julliezouden gekaderd hebben
zijzouden gekaderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkader

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information