hoepelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hoepelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hoepelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hoepelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehoepeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoepel
jijhoepelt
hijhoepelt
wijhoepelen
julliehoepelen
zijhoepelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehoepeld
jijhebt gehoepeld
hijheeft gehoepeld
wijhebben gehoepeld
julliehebben gehoepeld
zijhebben gehoepeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhoepelde
jijhoepelde
hijhoepelde
wijhoepelden
julliehoepelden
zijhoepelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehoepeld
jijhad gehoepeld
hijhad gehoepeld
wijhadden gehoepeld
julliehadden gehoepeld
zijhadden gehoepeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hoepelen
jijzult hoepelen
hijzal hoepelen
wijzullen hoepelen
julliezullen hoepelen
zijzullen hoepelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehoepeld hebben
jijzult gehoepeld hebben
hijzal gehoepeld hebben
wijzullen gehoepeld hebben
julliezullen gehoepeld hebben
zijzullen gehoepeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hoepelen
jijzou hoepelen
hijzou hoepelen
wijzouden hoepelen
julliezouden hoepelen
zijzouden hoepelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehoepeld hebben
jijzou gehoepeld hebben
hijzou gehoepeld hebben
wijzouden gehoepeld hebben
julliezouden gehoepeld hebben
zijzouden gehoepeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoepel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • De kinderen op datse geen papsakken souden werden, moet men gebieden te spelen, te wandelen, koten, knikkeren, hoepelen &c. na de tyd van het jaar mede brengt, hier door werden sy sterk en vrolyk. (One should command the children, so that they do not become fat-asses, to play, to walk, play with dice, play with marbles, roll hoops &c. in accordance with the time of year, this makes them strong and happy.) [1683, Steven Blankaart, De Kartesiaanse academie ofte, institutie der medicyne, Johannes ten Hoorn, page 205:]
  • 1861, François Haverschmidt (ed. René van Slooten), Reis door België en langs den Rijn, DBNL (2009), page 86.
  • Verblijd hierover gingen wij naar ons logement terug, betalden er en hoepelden nu naar het Station bij ons logement. ((please add an English translation of this quotation))
  • bah wat haat ik dat woord "artiest".......ga hoepelen denk ik dan. [2006 March 19, steggy, “An!”, in nl.support.borderline (Usenet):]

Etymology

From hoepel (“hoop”) + -en.

Additional Information