hertrouwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hertrouwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hertrouwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hertrouwend
Past participle - Verleden deelwoord: hergetrouwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrouw her
jijtrouwt her
hijtrouwt her
wijtrouwen her
jullietrouwen her
zijtrouwen her

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb hergetrouwd
jijhebt hergetrouwd
hijheeft hergetrouwd
wijhebben hergetrouwd
julliehebben hergetrouwd
zijhebben hergetrouwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrouwde her
jijtrouwde her
hijtrouwde her
wijtrouwden her
jullietrouwden her
zijtrouwden her

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad hergetrouwd
jijhad hergetrouwd
hijhad hergetrouwd
wijhadden hergetrouwd
julliehadden hergetrouwd
zijhadden hergetrouwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hertrouwen
jijzult hertrouwen
hijzal hertrouwen
wijzullen hertrouwen
julliezullen hertrouwen
zijzullen hertrouwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal hergetrouwd hebben
jijzult hergetrouwd hebben
hijzal hergetrouwd hebben
wijzullen hergetrouwd hebben
julliezullen hergetrouwd hebben
zijzullen hergetrouwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hertrouwen
jijzou hertrouwen
hijzou hertrouwen
wijzouden hertrouwen
julliezouden hertrouwen
zijzouden hertrouwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou hergetrouwd hebben
jijzou hergetrouwd hebben
hijzou hergetrouwd hebben
wijzouden hergetrouwd hebben
julliezouden hergetrouwd hebben
zijzouden hergetrouwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrouw her

Translations

  • remarry, To marry a second or subsequent time
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From her- + trouwen.

    Additional Information