healen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of healen

The word "healen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: healen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: healend
Past participle - Verleden deelwoord: geheald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikheal
jijhealt
hijhealt
wijhealen
julliehealen
zijhealen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geheald
jijhebt geheald
hijheeft geheald
wijhebben geheald
julliehebben geheald
zijhebben geheald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhealde
jijhealde
hijhealde
wijhealden
julliehealden
zijhealden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geheald
jijhad geheald
hijhad geheald
wijhadden geheald
julliehadden geheald
zijhadden geheald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal healen
jijzult healen
hijzal healen
wijzullen healen
julliezullen healen
zijzullen healen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geheald hebben
jijzult geheald hebben
hijzal geheald hebben
wijzullen geheald hebben
julliezullen geheald hebben
zijzullen geheald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou healen
jijzou healen
hijzou healen
wijzouden healen
julliezouden healen
zijzouden healen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geheald hebben
jijzou geheald hebben
hijzou geheald hebben
wijzouden geheald hebben
julliezouden geheald hebben
zijzouden geheald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijheal

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English heal. Doublet of helen. See: English 'heal'.

Additional Information