glunderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of glunderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: glunderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: glunderend
Past participle - Verleden deelwoord: geglunderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikglunder
jijglundert
hijglundert
wijglunderen
jullieglunderen
zijglunderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geglunderd
jijhebt geglunderd
hijheeft geglunderd
wijhebben geglunderd
julliehebben geglunderd
zijhebben geglunderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikglunderde
jijglunderde
hijglunderde
wijglunderden
jullieglunderden
zijglunderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geglunderd
jijhad geglunderd
hijhad geglunderd
wijhadden geglunderd
julliehadden geglunderd
zijhadden geglunderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal glunderen
jijzult glunderen
hijzal glunderen
wijzullen glunderen
julliezullen glunderen
zijzullen glunderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geglunderd hebben
jijzult geglunderd hebben
hijzal geglunderd hebben
wijzullen geglunderd hebben
julliezullen geglunderd hebben
zijzullen geglunderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou glunderen
jijzou glunderen
hijzou glunderen
wijzouden glunderen
julliezouden glunderen
zijzouden glunderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geglunderd hebben
jijzou geglunderd hebben
hijzou geglunderd hebben
wijzouden geglunderd hebben
julliezouden geglunderd hebben
zijzouden geglunderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijglunder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information