geeuwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of geeuwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: geeuwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: geeuwend
Past participle - Verleden deelwoord: geëuwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeeuw
jijgeeuwt
hijgeeuwt
wijgeeuwen
julliegeeuwen
zijgeeuwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëuwd
jijhebt geëuwd
hijheeft geëuwd
wijhebben geëuwd
julliehebben geëuwd
zijhebben geëuwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgeeuwde
jijgeeuwde
hijgeeuwde
wijgeeuwden
julliegeeuwden
zijgeeuwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëuwd
jijhad geëuwd
hijhad geëuwd
wijhadden geëuwd
julliehadden geëuwd
zijhadden geëuwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal geeuwen
jijzult geeuwen
hijzal geeuwen
wijzullen geeuwen
julliezullen geeuwen
zijzullen geeuwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëuwd hebben
jijzult geëuwd hebben
hijzal geëuwd hebben
wijzullen geëuwd hebben
julliezullen geëuwd hebben
zijzullen geëuwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou geeuwen
jijzou geeuwen
hijzou geeuwen
wijzouden geeuwen
julliezouden geeuwen
zijzouden geeuwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëuwd hebben
jijzou geëuwd hebben
hijzou geëuwd hebben
wijzouden geëuwd hebben
julliezouden geëuwd hebben
zijzouden geëuwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeeuw

Translations

  • yawn, open the mouth and take a deep breath
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch geeuwen, geuwen, ghewen, gewen, from Old Dutch *gewon, *giwon, from Proto-West Germanic *giwōn, from Proto-Germanic *giwōną. See: Old Dutch '*gewon'.

    Additional Information