expediëren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of expediëren

The word "expediëren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: expediëren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: expediërend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxpediërd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikexpediër
jijexpediërt
hijexpediërt
wijexpediëren
jullieexpediëren
zijexpediëren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxpediërd
jijhebt geëxpediërd
hijheeft geëxpediërd
wijhebben geëxpediërd
julliehebben geëxpediërd
zijhebben geëxpediërd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikexpediërde
jijexpediërde
hijexpediërde
wijexpediërden
jullieexpediërden
zijexpediërden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxpediërd
jijhad geëxpediërd
hijhad geëxpediërd
wijhadden geëxpediërd
julliehadden geëxpediërd
zijhadden geëxpediërd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal expediëren
jijzult expediëren
hijzal expediëren
wijzullen expediëren
julliezullen expediëren
zijzullen expediëren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxpediërd hebben
jijzult geëxpediërd hebben
hijzal geëxpediërd hebben
wijzullen geëxpediërd hebben
julliezullen geëxpediërd hebben
zijzullen geëxpediërd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou expediëren
jijzou expediëren
hijzou expediëren
wijzouden expediëren
julliezouden expediëren
zijzouden expediëren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxpediërd hebben
jijzou geëxpediërd hebben
hijzou geëxpediërd hebben
wijzouden geëxpediërd hebben
julliezouden geëxpediërd hebben
zijzouden geëxpediërd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijexpediër

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information