een – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of een

The word "een" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: een
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: eend
Past participle - Verleden deelwoord: geëd

Cognates

See the 2 cognates of een

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ike
jijet
hijet
wijeen
jullieeen
zijeen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëd
jijhebt geëd
hijheeft geëd
wijhebben geëd
julliehebben geëd
zijhebben geëd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikede
jijede
hijede
wijeden
jullieeden
zijeden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëd
jijhad geëd
hijhad geëd
wijhadden geëd
julliehadden geëd
zijhadden geëd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal een
jijzult een
hijzal een
wijzullen een
julliezullen een
zijzullen een

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëd hebben
jijzult geëd hebben
hijzal geëd hebben
wijzullen geëd hebben
julliezullen geëd hebben
zijzullen geëd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou een
jijzou een
hijzou een
wijzouden een
julliezouden een
zijzouden een

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëd hebben
jijzou geëd hebben
hijzou geëd hebben
wijzouden geëd hebben
julliezouden geëd hebben
zijzouden geëd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jije

Translations

  • cast, to assign a role in a play or performance
  • globe-trot, travel all over the world
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "een"

    English one.

    Additional Information