Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: duwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: duwend
Past participle - Verleden deelwoord: geduwd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | duw |
| jij | duwt |
| hij | duwt |
| wij | duwen |
| jullie | duwen |
| zij | duwen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geduwd |
| jij | hebt geduwd |
| hij | heeft geduwd |
| wij | hebben geduwd |
| jullie | hebben geduwd |
| zij | hebben geduwd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | duwde |
| jij | duwde |
| hij | duwde |
| wij | duwden |
| jullie | duwden |
| zij | duwden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geduwd |
| jij | had geduwd |
| hij | had geduwd |
| wij | hadden geduwd |
| jullie | hadden geduwd |
| zij | hadden geduwd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal duwen |
| jij | zult duwen |
| hij | zal duwen |
| wij | zullen duwen |
| jullie | zullen duwen |
| zij | zullen duwen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geduwd hebben |
| jij | zult geduwd hebben |
| hij | zal geduwd hebben |
| wij | zullen geduwd hebben |
| jullie | zullen geduwd hebben |
| zij | zullen geduwd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou duwen |
| jij | zou duwen |
| hij | zou duwen |
| wij | zouden duwen |
| jullie | zouden duwen |
| zij | zouden duwen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geduwd hebben |
| jij | zou geduwd hebben |
| hij | zou geduwd hebben |
| wij | zouden geduwd hebben |
| jullie | zouden geduwd hebben |
| zij | zouden geduwd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'duwen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'duwen'
dauwen,
duren,
huwen,
bouwen,
dalen,
delen,
deren,
deuken,
doden,
doen,
Translations
finger, to poke
prod, to poke
push, to apply a force to something so that it moves away
urge, to press, push, drive
Sample Sentences
-
[...] zoo in het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de kisten tegen te houden, alles op zijne plaats te doen blijven; maar al mijne kracht was niet voldoende om het vlot af te duwen; ook durfde ik niet van houding veranderen, maar stond bijkans een halfuur op die wijze tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs meer gelijk, en kort daarop, daar het [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] maar stond bijkans een halfuur op die wijze tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs meer gelijk, en kort daarop, daar het water nog rees, was ik weder vlot, en duwde mijn vlot af met den riem, dien ik had, in het kanaal. Toen ik daar hooger op kwam, bevond ik mij eindelijk in den mond van eene kleine rivier, met land aan weerszijden, en waar het getij zeer sterk [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch duwen, douwen, from Old Dutch thuwen, from Proto-West Germanic *þų̄hijan, from Proto-Germanic *þunhijaną. See: Proto-Germanic '
*þunhijaną'.
Additional Information