clusteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of clusteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: clusteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: clusterend
Past participle - Verleden deelwoord: geclusterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcluster
jijclustert
hijclustert
wijclusteren
jullieclusteren
zijclusteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geclusterd
jijhebt geclusterd
hijheeft geclusterd
wijhebben geclusterd
julliehebben geclusterd
zijhebben geclusterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikclusterde
jijclusterde
hijclusterde
wijclusterden
jullieclusterden
zijclusterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geclusterd
jijhad geclusterd
hijhad geclusterd
wijhadden geclusterd
julliehadden geclusterd
zijhadden geclusterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal clusteren
jijzult clusteren
hijzal clusteren
wijzullen clusteren
julliezullen clusteren
zijzullen clusteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geclusterd hebben
jijzult geclusterd hebben
hijzal geclusterd hebben
wijzullen geclusterd hebben
julliezullen geclusterd hebben
zijzullen geclusterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou clusteren
jijzou clusteren
hijzou clusteren
wijzouden clusteren
julliezouden clusteren
zijzouden clusteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geclusterd hebben
jijzou geclusterd hebben
hijzou geclusterd hebben
wijzouden geclusterd hebben
julliezouden geclusterd hebben
zijzouden geclusterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcluster

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information