cijferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cijferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cijferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cijferend
Past participle - Verleden deelwoord: gecijferd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcijfer
jijcijfert
hijcijfert
wijcijferen
julliecijferen
zijcijferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecijferd
jijhebt gecijferd
hijheeft gecijferd
wijhebben gecijferd
julliehebben gecijferd
zijhebben gecijferd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcijferde
jijcijferde
hijcijferde
wijcijferden
julliecijferden
zijcijferden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecijferd
jijhad gecijferd
hijhad gecijferd
wijhadden gecijferd
julliehadden gecijferd
zijhadden gecijferd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cijferen
jijzult cijferen
hijzal cijferen
wijzullen cijferen
julliezullen cijferen
zijzullen cijferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecijferd hebben
jijzult gecijferd hebben
hijzal gecijferd hebben
wijzullen gecijferd hebben
julliezullen gecijferd hebben
zijzullen gecijferd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cijferen
jijzou cijferen
hijzou cijferen
wijzouden cijferen
julliezouden cijferen
zijzouden cijferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecijferd hebben
jijzou gecijferd hebben
hijzou gecijferd hebben
wijzouden gecijferd hebben
julliezouden gecijferd hebben
zijzouden gecijferd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcijfer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From cijfer + -en.

Additional Information