braaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of braaien

The word "braaien" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: braaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: braaiend
Past participle - Verleden deelwoord: gebraaid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbraai
jijbraait
hijbraait
wijbraaien
julliebraaien
zijbraaien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebraaid
jijhebt gebraaid
hijheeft gebraaid
wijhebben gebraaid
julliehebben gebraaid
zijhebben gebraaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbraaide
jijbraaide
hijbraaide
wijbraaiden
julliebraaiden
zijbraaiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebraaid
jijhad gebraaid
hijhad gebraaid
wijhadden gebraaid
julliehadden gebraaid
zijhadden gebraaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal braaien
jijzult braaien
hijzal braaien
wijzullen braaien
julliezullen braaien
zijzullen braaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebraaid hebben
jijzult gebraaid hebben
hijzal gebraaid hebben
wijzullen gebraaid hebben
julliezullen gebraaid hebben
zijzullen gebraaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou braaien
jijzou braaien
hijzou braaien
wijzouden braaien
julliezouden braaien
zijzouden braaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebraaid hebben
jijzou gebraaid hebben
hijzou gebraaid hebben
wijzouden gebraaid hebben
julliezouden gebraaid hebben
zijzouden gebraaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbraai

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Afrikaans braai (“to barbecue”), derived from Dutch braden (“to roast”). See: Afrikaans 'braai', Dutch 'braden'.

Additional Information