bijspringen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bijspringen

The word "bijspringen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bijspringen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bijspringend
Past participle - Verleden deelwoord: bijgespringd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspring bij
jijspringt bij
hijspringt bij
wijspringen bij
julliespringen bij
zijspringen bij

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bijgespringd
jijhebt bijgespringd
hijheeft bijgespringd
wijhebben bijgespringd
julliehebben bijgespringd
zijhebben bijgespringd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspringde bij
jijspringde bij
hijspringde bij
wijspringden bij
julliespringden bij
zijspringden bij

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bijgespringd
jijhad bijgespringd
hijhad bijgespringd
wijhadden bijgespringd
julliehadden bijgespringd
zijhadden bijgespringd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bijspringen
jijzult bijspringen
hijzal bijspringen
wijzullen bijspringen
julliezullen bijspringen
zijzullen bijspringen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bijgespringd hebben
jijzult bijgespringd hebben
hijzal bijgespringd hebben
wijzullen bijgespringd hebben
julliezullen bijgespringd hebben
zijzullen bijgespringd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bijspringen
jijzou bijspringen
hijzou bijspringen
wijzouden bijspringen
julliezouden bijspringen
zijzouden bijspringen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bijgespringd hebben
jijzou bijgespringd hebben
hijzou bijgespringd hebben
wijzouden bijgespringd hebben
julliezouden bijgespringd hebben
zijzouden bijgespringd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspring bij

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information