bewapenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bewapenen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bewapenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bewapenend
Past participle - Verleden deelwoord: bewapend

Cognates

See the 4 cognates of bewapenen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbewapen
jijbewapent
hijbewapent
wijbewapenen
julliebewapenen
zijbewapenen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bewapend
jijhebt bewapend
hijheeft bewapend
wijhebben bewapend
julliehebben bewapend
zijhebben bewapend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbewapende
jijbewapende
hijbewapende
wijbewapenden
julliebewapenden
zijbewapenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bewapend
jijhad bewapend
hijhad bewapend
wijhadden bewapend
julliehadden bewapend
zijhadden bewapend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bewapenen
jijzult bewapenen
hijzal bewapenen
wijzullen bewapenen
julliezullen bewapenen
zijzullen bewapenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bewapend hebben
jijzult bewapend hebben
hijzal bewapend hebben
wijzullen bewapend hebben
julliezullen bewapend hebben
zijzullen bewapend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bewapenen
jijzou bewapenen
hijzou bewapenen
wijzouden bewapenen
julliezouden bewapenen
zijzouden bewapenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bewapend hebben
jijzou bewapend hebben
hijzou bewapend hebben
wijzouden bewapend hebben
julliezouden bewapend hebben
zijzouden bewapend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbewapen

Translations

  • arm, to supply with armour or weapons
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + wapenen.

    Verbs referencing "bewapenen"

    Swedish beväpna.

    Additional Information