barnen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of barnen

The word "barnen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: barnen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: barnend
Past participle - Verleden deelwoord: gebarnd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbarn
jijbarnt
hijbarnt
wijbarnen
julliebarnen
zijbarnen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebarnd
jijhebt gebarnd
hijheeft gebarnd
wijhebben gebarnd
julliehebben gebarnd
zijhebben gebarnd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbarnde
jijbarnde
hijbarnde
wijbarnden
julliebarnden
zijbarnden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebarnd
jijhad gebarnd
hijhad gebarnd
wijhadden gebarnd
julliehadden gebarnd
zijhadden gebarnd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal barnen
jijzult barnen
hijzal barnen
wijzullen barnen
julliezullen barnen
zijzullen barnen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebarnd hebben
jijzult gebarnd hebben
hijzal gebarnd hebben
wijzullen gebarnd hebben
julliezullen gebarnd hebben
zijzullen gebarnd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou barnen
jijzou barnen
hijzou barnen
wijzouden barnen
julliezouden barnen
zijzouden barnen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebarnd hebben
jijzou gebarnd hebben
hijzou gebarnd hebben
wijzouden gebarnd hebben
julliezouden gebarnd hebben
zijzouden gebarnd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbarn

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch bernen, barnen, from Old Dutch *brinnan, from Proto-Germanic *brinnaną. See: Middle Dutch 'bernen', Proto-Germanic '*brinnaną'.

Verbs referencing "barnen"

English burn.

Additional Information