Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: ankeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ankerend
Past participle - Verleden deelwoord: geankerd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | anker |
| jij | ankert |
| hij | ankert |
| wij | ankeren |
| jullie | ankeren |
| zij | ankeren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geankerd |
| jij | hebt geankerd |
| hij | heeft geankerd |
| wij | hebben geankerd |
| jullie | hebben geankerd |
| zij | hebben geankerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ankerde |
| jij | ankerde |
| hij | ankerde |
| wij | ankerden |
| jullie | ankerden |
| zij | ankerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geankerd |
| jij | had geankerd |
| hij | had geankerd |
| wij | hadden geankerd |
| jullie | hadden geankerd |
| zij | hadden geankerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal ankeren |
| jij | zult ankeren |
| hij | zal ankeren |
| wij | zullen ankeren |
| jullie | zullen ankeren |
| zij | zullen ankeren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geankerd hebben |
| jij | zult geankerd hebben |
| hij | zal geankerd hebben |
| wij | zullen geankerd hebben |
| jullie | zullen geankerd hebben |
| zij | zullen geankerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou ankeren |
| jij | zou ankeren |
| hij | zou ankeren |
| wij | zouden ankeren |
| jullie | zouden ankeren |
| zij | zouden ankeren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geankerd hebben |
| jij | zou geankerd hebben |
| hij | zou geankerd hebben |
| wij | zouden geankerd hebben |
| jullie | zouden geankerd hebben |
| zij | zouden geankerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'ankeren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'ankeren'
afkeren,
akkeren,
kankeren,
mankeren,
aanberen,
aankerven,
aanleren,
aanmeren,
acteren,
adderen,
Translations
anchor, to hold an object to a fixed point
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Den zesden dag onzer reis kwamen wij op de reede van Yarmouth, daar de tegenwinden en windstilten ons niet veel hadden doen vorderen, sedert den storm. Wij waren verpligt op deze reede te ankeren, omdat de wind voor ons ongunstig was, dat wil zeggen, dat hij Z.W. bleef, gedurende zeven of acht dagen. Verscheidene groote schepen van New-Castle bleven daar om dezelfde reden als wij liggen. De [...]
(Robinson Crusoe)
-
De angst en vrees van weder in de handen der Mooren te vallen, weerhield mij aan land te gaan of te ankeren, ik bleef vijf dagen lang met denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt moesten opgeven. Dus ankerde [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ankeren, ik bleef vijf dagen lang met denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt moesten opgeven. Dus ankerde ik in den mond van een riviertje, ik weet niet op wat hoogte, noch in welk land of bij wat volk. Ik zag niemand, waar ik ook niet naar verlangde; zoet water was het voornaamste wat ik noodig had. [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik er uitzag. Ik zal dus hierover in het vervolg zwijgen. Aldus uitgerust ging ik op reis, en bleef vijf of zes dagen uit. Ik trok eerst het strand langs, regt naar de plaats waar ik met mijne boot geankerd had, om op de klippen te klimmen, en daar ik nu voor geene boot behoefde te zorgen, ging ik over land een nader weg, naar dezelfde hoogte waarop ik vroeger geweest was, toen ik naar het rif uitzag, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From anker + -en.
Verbs referencing "ankeren"
Swedish
ankra.
Additional Information