afzonderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afzonderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afzonderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afzonderend
Past participle - Verleden deelwoord: afgezonderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzonder af
jijzondert af
hijzondert af
wijzonderen af
julliezonderen af
zijzonderen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgezonderd
jijhebt afgezonderd
hijheeft afgezonderd
wijhebben afgezonderd
julliehebben afgezonderd
zijhebben afgezonderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzonderde af
jijzonderde af
hijzonderde af
wijzonderden af
julliezonderden af
zijzonderden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgezonderd
jijhad afgezonderd
hijhad afgezonderd
wijhadden afgezonderd
julliehadden afgezonderd
zijhadden afgezonderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afzonderen
jijzult afzonderen
hijzal afzonderen
wijzullen afzonderen
julliezullen afzonderen
zijzullen afzonderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgezonderd hebben
jijzult afgezonderd hebben
hijzal afgezonderd hebben
wijzullen afgezonderd hebben
julliezullen afgezonderd hebben
zijzullen afgezonderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afzonderen
jijzou afzonderen
hijzou afzonderen
wijzouden afzonderen
julliezouden afzonderen
zijzouden afzonderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgezonderd hebben
jijzou afgezonderd hebben
hijzou afgezonderd hebben
wijzouden afgezonderd hebben
julliezouden afgezonderd hebben
zijzouden afgezonderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzonder af

Translations

  • abstract, to separate; to disengage
  • decompose, to separate
  • island, isolate
  • isolate, isolate
  • quarantine, put in isolation as if by quarantine
  • segregate, to separate
  • separate, to separate
  • separate, to cause to be separate
  • sequester, to separate from all external influence
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afscheiden
    afsplitsen

    Sample Sentences

    • [...] het goed. Ik ben op een akelig onbewoond eiland geworpen, buiten alle hoop op verlossing. Maar ik ben in leven en niet verdronken, zoo als al mijne scheepsmakkers. Ik ben uitgekipt en als het ware afgezonderd van de geheele wereld, om ongelukkig te zijn. Maar ik ben ook uitgekipt uit al het scheepsvolk, om van den dood gespaard te worden, en Hij, die mij wonderbaarlijk van den dood bevrijdde, kan mij ook [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] wij naauwelijks genoeg graan over voor ons eigen voedsel, voor de zes maanden, waarin wij op onzen oogst moesten wachten, dat wil zeggen, te rekenen van den tijd, dat wij ons zaaikoren hadden afgezonderd, want men moet niet onderstellen, dat het daar te lande zes maanden in den grond bleef. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From af + zonderen.

    Additional Information