afwijzen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afwijzen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afwijzen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afwijzend
Past participle - Verleden deelwoord: afgewezen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwijs af
jijwijst af
hijwijst af
wijwijzen af
julliewijzen af
zijwijzen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgewezen
jijhebt afgewezen
hijheeft afgewezen
wijhebben afgewezen
julliehebben afgewezen
zijhebben afgewezen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwees af
jijwees af
hijwees af
wijwezen af
julliewezen af
zijwezen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgewezen
jijhad afgewezen
hijhad afgewezen
wijhadden afgewezen
julliehadden afgewezen
zijhadden afgewezen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afwijzen
jijzult afwijzen
hijzal afwijzen
wijzullen afwijzen
julliezullen afwijzen
zijzullen afwijzen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgewezen hebben
jijzult afgewezen hebben
hijzal afgewezen hebben
wijzullen afgewezen hebben
julliezullen afgewezen hebben
zijzullen afgewezen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afwijzen
jijzou afwijzen
hijzou afwijzen
wijzouden afwijzen
julliezouden afwijzen
zijzouden afwijzen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgewezen hebben
jijzou afgewezen hebben
hijzou afgewezen hebben
wijzouden afgewezen hebben
julliezouden afgewezen hebben
zijzouden afgewezen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwijs af

Translations

  • abandon, to cast out, expel, reject
  • abdicate, to reject, cast off, discard
  • decline, refuse
  • dismiss, to reject, refuse to accept
  • rebuff, refuse
  • reject, refuse to accept
  • reprobate, refuse
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afkeuren
    afslaan, afstemmen, afwimpelen, verwerpen, weigeren

    Antonyms

    afkeuren
    goedkeuren, accepteren, bekrachtigen, toelaten

    Sample Sentences

    Etymology

    1. From Middle Dutch afwisen. Equivalent to af + wijzen.
    2. Compare German abweisen. See: German, old spelling 'abweisen'.

    Verbs referencing "afwijzen"

    German, old spelling abweisen.

    Additional Information