afstommelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afstommelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afstommelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afstommelend
Past participle - Verleden deelwoord: afgestommeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstommel af
jijstommelt af
hijstommelt af
wijstommelen af
julliestommelen af
zijstommelen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgestommeld
jijhebt afgestommeld
hijheeft afgestommeld
wijhebben afgestommeld
julliehebben afgestommeld
zijhebben afgestommeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstommelde af
jijstommelde af
hijstommelde af
wijstommelden af
julliestommelden af
zijstommelden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgestommeld
jijhad afgestommeld
hijhad afgestommeld
wijhadden afgestommeld
julliehadden afgestommeld
zijhadden afgestommeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afstommelen
jijzult afstommelen
hijzal afstommelen
wijzullen afstommelen
julliezullen afstommelen
zijzullen afstommelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgestommeld hebben
jijzult afgestommeld hebben
hijzal afgestommeld hebben
wijzullen afgestommeld hebben
julliezullen afgestommeld hebben
zijzullen afgestommeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afstommelen
jijzou afstommelen
hijzou afstommelen
wijzouden afstommelen
julliezouden afstommelen
zijzouden afstommelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgestommeld hebben
jijzou afgestommeld hebben
hijzou afgestommeld hebben
wijzouden afgestommeld hebben
julliezouden afgestommeld hebben
zijzouden afgestommeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstommel af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information