afkoelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afkoelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afkoelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afkoelend
Past participle - Verleden deelwoord: afgekoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkoel af
jijkoelt af
hijkoelt af
wijkoelen af
julliekoelen af
zijkoelen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgekoeld
jijhebt afgekoeld
hijheeft afgekoeld
wijhebben afgekoeld
julliehebben afgekoeld
zijhebben afgekoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkoelde af
jijkoelde af
hijkoelde af
wijkoelden af
julliekoelden af
zijkoelden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgekoeld
jijhad afgekoeld
hijhad afgekoeld
wijhadden afgekoeld
julliehadden afgekoeld
zijhadden afgekoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afkoelen
jijzult afkoelen
hijzal afkoelen
wijzullen afkoelen
julliezullen afkoelen
zijzullen afkoelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgekoeld hebben
jijzult afgekoeld hebben
hijzal afgekoeld hebben
wijzullen afgekoeld hebben
julliezullen afgekoeld hebben
zijzullen afgekoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afkoelen
jijzou afkoelen
hijzou afkoelen
wijzouden afkoelen
julliezouden afkoelen
zijzouden afkoelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgekoeld hebben
jijzou afgekoeld hebben
hijzou afgekoeld hebben
wijzouden afgekoeld hebben
julliezouden afgekoeld hebben
zijzouden afgekoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkoel af

Translations

  • calm, to become calm
  • cool, to make colder (literally)
  • cool, to become less intense, e.g. less amicable
  • cool, to make less intense, e.g. less amicable
  • quench, to cool rapidly by immersion
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bekoelen
    verkoelen

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + koelen.

    Additional Information