afjagen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afjagen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afjagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afjagend
Past participle - Verleden deelwoord: afgejaagd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjaag af
jijjaagt af
hijjaagt af
wijjagen af
julliejagen af
zijjagen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgejaagd
jijhebt afgejaagd
hijheeft afgejaagd
wijhebben afgejaagd
julliehebben afgejaagd
zijhebben afgejaagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjoeg af
jijjoeg af
hijjoeg af
wijjoegen af
julliejoegen af
zijjoegen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgejaagd
jijhad afgejaagd
hijhad afgejaagd
wijhadden afgejaagd
julliehadden afgejaagd
zijhadden afgejaagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afjagen
jijzult afjagen
hijzal afjagen
wijzullen afjagen
julliezullen afjagen
zijzullen afjagen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgejaagd hebben
jijzult afgejaagd hebben
hijzal afgejaagd hebben
wijzullen afgejaagd hebben
julliezullen afgejaagd hebben
zijzullen afgejaagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afjagen
jijzou afjagen
hijzou afjagen
wijzouden afjagen
julliezouden afjagen
zijzouden afjagen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgejaagd hebben
jijzou afgejaagd hebben
hijzou afgejaagd hebben
wijzouden afgejaagd hebben
julliezouden afgejaagd hebben
zijzouden afgejaagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjaag af

Verbs conjugated like 'afjagen'

aanjagen, afjagen, jagen, verjagen,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch afjagen. Equivalent to af + jagen.

Additional Information