peer – Dutch noun declension

Dutch noun forms of peer

Noun: peer
Gender: Feminine, Masculine Hyphenation:
Sg.peer
Pl.peren

Sample Sentences

  • De supermarkt verkoopt heerlijke peren van lokale boomgaarden. (The supermarket sells delicious pears from local orchards.)
  • Ik heb een sappige rijpe peer voor mijn lunch. (I have a juicy ripe pear for my lunch.)
  • Het oude peertje in de lamp is kapot, we moeten het vervangen. (The old light bulb in the lamp is broken, we need to replace it.)
  • Ze draaide het peertje in de fitting en de kamer was weer verlicht. (She screwed in the light bulb and the room was illuminated again.)

Etymology

From Middle Dutch pēre, from Vulgar Latin *pira, from Latin pirum. See: Latin Nouns 'pirum'.

Verbs referencing "peer"

English Nouns pear.

Translations