jongen – Dutch noun declension

Dutch noun forms of jongen

Noun: jongen
Gender: Masculine Hyphenation:
Sg.jongen
Pl.jongens

Sample Sentences

  • De jongen speelt in de tuin met zijn bal. (The boy is playing in the garden with his ball.)
  • Kom op, jongens, laten we naar buiten gaan en spelen! (Come on, kids/guys, let's go outside and play!)
  • Hé, jongens, hoe gaat het vandaag? (Hey, mates/dudes/bros, how's it going today?)
  • De rijke koopman had een jongen die hem hielp bij zijn dagelijkse taken. (The wealthy merchant had a male servant who assisted him with his daily tasks.)
  • De nieuwe medewerker is nog maar een jongen in het vak, dus we moeten hem nog veel leren. (The new employee is still a trainee in the job, so we have to teach him a lot.)

Etymology

From Middle Dutch jongen, dative/accusative form of jonge, a nominal use of jong (“young”). Cognate with German Junge (“boy”). See: German Nouns 'Junge'.

Verbs referencing "jongen"

Russian Nouns юнга.

Translations