voet – Dutch noun declension

Dutch noun forms of voet

Noun: voet
Gender: Masculine Hyphenation:
Sg.voet
Pl.voeten

Sample Sentences

  • Hij heeft zijn voet verstuikt tijdens het voetballen. (He sprained his foot while playing football.)
  • Ze wast haar voeten elke avond voor het slapengaan. (She washes her feet every night before going to bed.)
  • De voet van de lamp was gemaakt van marmer. (The base of the lamp was made of marble.)
  • Het standbeeld staat op een grote betonnen voet. (The statue stands on a large concrete base.)
  • De breedte van de kamer is tien voet. (The width of the room is ten feet.)
  • Hij kocht een touw van vijftien voet lang. (He bought a fifteen-foot long rope.)
  • In de 18e eeuw mat men de lengte in voet. (In the 18th century, length was measured in feet.)
  • Een voet was vroeger een belangrijke maateenheid in Nederland. (A foot used to be an important unit of measurement in the Netherlands.)
  • Dit gedicht heeft een ritme van vier voeten per vers. (This poem has a rhythm of four feet per line.)
  • Een jambische pentameter heeft vijf voeten per vers. (An iambic pentameter has five feet per line.)

Etymology

From Middle Dutch voet, from Old Dutch fuot, from Proto-West Germanic *fōt, from Proto-Germanic *fōts, from Proto-Indo-European *pṓds.

Verbs referencing "voet"

English Nouns foot, Old English Nouns fot, German Nouns Fuß, Danish Nouns fod.

Translations