bed – Dutch noun declension

Dutch noun forms of bed

Noun: bed
Gender: Neuter Hyphenation:
Sg.bed
Pl.bedden

Sample Sentences

  • Ze kocht een nieuw bed voor haar nieuwe appartement. (She bought a new bed for her new apartment.)
  • Ik wil vroeg naar bed gaan vanavond. (I want to go to bed early tonight.)
  • Dit bed is zo comfortabel dat ik er de hele dag in zou kunnen blijven. (This bed is so comfortable, I could stay in it all day.)
  • Op een gegeven ogenblik stieten ze op een uitgedroogde beekbedding; het bed van de beek was naakte lava. [1950, Willy van der Heide, Drie jongens op een onbewoond eiland, Stenvert:]

Etymology

From Middle Dutch bedde, from Old Dutch bedde, from Proto-West Germanic *badi, from Proto-Germanic *badją.

Verbs referencing "bed"

English Nouns bed, German Nouns Bett, Gothic Nouns 𐌱𐌰𐌳𐌹.

Translations