Adjective: eencellig
Indefinite Forms
| masc. & fem. | eencellige |
| neuter | eencellig |
Sample Sentences
Adjectives inflected like eencellig
wintergroen,
bankbreukig,
Noordzeegermaans,
doordeweeks,
eukaryotisch,
favoriet,
schwul,
schier,
Siberisch,
proleptisch,
combinatorisch,
actinisch,
agrarisch,
vijfvoudig,
betoeterd,
hardgekookt,
ondergistend,
bebaard,
oorlogvoerend,
altijdgroen, etc. (List truncated at 20 adjectives)
Etymology
From een (“one”) + cel (“cell”) + -ig.
Translations