Dutch: worden

Dutch verb 'worden' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: worden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wordend
Past participle - Verleden deelwoord: geworden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikword
jijwordt
hijwordt
wijworden
jullieworden
zijworden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben geworden
jijbent geworden
hijis geworden
wijzijn geworden
julliezijn geworden
zijzijn geworden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwerd
jijwerd
hijwerd
wijwerden
julliewerden
zijwerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas geworden
jijwas geworden
hijwas geworden
wijwaren geworden
julliewaren geworden
zijwaren geworden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal worden
jijzult worden
hijzal worden
wijzullen worden
julliezullen worden
zijzullen worden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geworden zijn
jijzult geworden zijn
hijzal geworden zijn
wijzullen geworden zijn
julliezullen geworden zijn
zijzullen geworden zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou worden
jijzou worden
hijzou worden
wijzouden worden
julliezouden worden
zijzouden worden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geworden zijn
jijzou geworden zijn
hijzou geworden zijn
wijzouden geworden zijn
julliezouden geworden zijn
zijzouden geworden zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijword


!

Verbs conjugated like worden

gewaarworden, worden,

Translations

Dutch verb "worden"

Become

Become less rigid, yield

Become less severe, soften in temper

Solidify

To become dark(er) in colour

To become darker (less bright)

To begin to be

Used to form the passive voice

  • English: be.

9 translations found.

Additional Information