Dutch: helpen

Dutch verb 'helpen' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: helpen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: helpend
Past participle - Verleden deelwoord: geholpen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhelp
jijhelpt
hijhelpt
wijhelpen
julliehelpen
zijhelpen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geholpen
jijhebt geholpen
hijheeft geholpen
wijhebben geholpen
julliehebben geholpen
zijhebben geholpen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhielp
jijhielp
hijhielp
wijhielpen
julliehielpen
zijhielpen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geholpen
jijhad geholpen
hijhad geholpen
wijhadden geholpen
julliehadden geholpen
zijhadden geholpen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal helpen
jijzult helpen
hijzal helpen
wijzullen helpen
julliezullen helpen
zijzullen helpen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geholpen hebben
jijzult geholpen hebben
hijzal geholpen hebben
wijzullen geholpen hebben
julliezullen geholpen hebben
zijzullen geholpen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou helpen
jijzou helpen
hijzou helpen
wijzouden helpen
julliezouden helpen
zijzouden helpen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geholpen hebben
jijzou geholpen hebben
hijzou geholpen hebben
wijzouden geholpen hebben
julliezouden geholpen hebben
zijzouden geholpen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhelp


!

Verbs conjugated like helpen

helpen, omverwerpen, onderwerpen, ontwerpen, verwerpen, werpen,

Translations

Dutch verb "helpen"

To lead, guide, or assist with the hand

To support

Transitive: provide assistance to (someone or something)

6 translations found.

Additional Information