Dutch: gaan

Dutch verb 'gaan' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gaand
Past participle - Verleden deelwoord: gegaan

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikga
jijgaat
hijgaat
wijgaan
julliegaan
zijgaan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben gegaan
jijbent gegaan
hijis gegaan
wijzijn gegaan
julliezijn gegaan
zijzijn gegaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikging
jijging
hijging
wijgingen
julliegingen
zijgingen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas gegaan
jijwas gegaan
hijwas gegaan
wijwaren gegaan
julliewaren gegaan
zijwaren gegaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gaan
jijzult gaan
hijzal gaan
wijzullen gaan
julliezullen gaan
zijzullen gaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegaan zijn
jijzult gegaan zijn
hijzal gegaan zijn
wijzullen gegaan zijn
julliezullen gegaan zijn
zijzullen gegaan zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gaan
jijzou gaan
hijzou gaan
wijzouden gaan
julliezouden gaan
zijzouden gaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegaan zijn
jijzou gegaan zijn
hijzou gegaan zijn
wijzouden gegaan zijn
julliezouden gegaan zijn
zijzouden gegaan zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijga


!

Translations

Dutch verb "gaan"

Be reasonable or acceptable

  • English: do.

Intransitive, figuratively: to move mentally

Run away with a lover to get married

Run away with a paramour

To change direction

To go to a sleeping bed

  • English: bed.

To move from a place to another that is further away

  • English: go.

To put oneself to sleep

  • English: bed.

9 translations found.

Additional Information