Toggle Menu
Your continued donations keep Verbix running!

Languages: Dutch : varen

Verb conjugation in Windows:

Infinitive: varen

Present participle: varend
Past participle: gevaren

Indicative Conditional

Present
ik     vaar
jij    vaart
hij    vaart
wij    varen
jullie varen
zij    varen

Present Perfect
ik     heb gevaren
jij    hebt gevaren
hij    heeft gevaren
wij    hebben gevaren
jullie hebben gevaren
zij    hebben gevaren


Past

ik     voer
jij    voer
hij    voer
wij    voeren
jullie voeren
zij    voeren


Past Perfect

ik     had gevaren
jij    had gevaren
hij    had gevaren
wij    hadden gevaren
jullie hadden gevaren
zij    hadden gevaren


Future

ik     zal varen
jij    zult varen
hij    zal varen
wij    zullen varen
jullie zullen varen
zij    zullen varen


Future Perfect

ik     zal gevaren hebben
jij    zult gevaren hebben
hij    zal gevaren hebben
wij    zullen gevaren hebben
jullie zullen gevaren hebben
zij    zullen gevaren hebben

Present
ik     zou varen
jij    zou varen
hij    zou varen
wij    zouden varen
jullie zouden varen
zij    zouden varen

 

Perfect
ik     zou gevaren hebben
jij    zou gevaren hebben
hij    zou gevaren hebben
wij    zouden gevaren hebben
jullie zouden gevaren hebben
zij    zouden gevaren hebben

Imperative


jij    vaar





!


Verbs conjugated like varen

aandragen, afdragen, bedragen, bevaren, bijdragen, dragen, ervaren, gedragen, opdragen, overdragen, varen, verdragen, voordragen,


. Conjugations based on Verbix for Windows

Discover more verb related information in WikiVerb. Also see the Dutch language page there.
Content updated
© Verbix 1995-2009. http://www.verbix.com