Dutch: stelen

Dutch verb 'stelen' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestolen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksteel
jijsteelt
hijsteelt
wijstelen
julliestelen
zijstelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestolen
jijhebt gestolen
hijheeft gestolen
wijhebben gestolen
julliehebben gestolen
zijhebben gestolen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstal
jijstal
hijstal
wijstalen
julliestalen
zijstalen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestolen
jijhad gestolen
hijhad gestolen
wijhadden gestolen
julliehadden gestolen
zijhadden gestolen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stelen
jijzult stelen
hijzal stelen
wijzullen stelen
julliezullen stelen
zijzullen stelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestolen hebben
jijzult gestolen hebben
hijzal gestolen hebben
wijzullen gestolen hebben
julliezullen gestolen hebben
zijzullen gestolen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stelen
jijzou stelen
hijzou stelen
wijzouden stelen
julliezouden stelen
zijzouden stelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestolen hebben
jijzou gestolen hebben
hijzou gestolen hebben
wijzouden gestolen hebben
julliezouden gestolen hebben
zijzouden gestolen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsteel


!

Translations

Dutch verb "stelen"

To draw attention

To illegally take possession of

To steal

To steal in small quantities

9 translations found.

Additional Information