Dutch: opstaan

Dutch verb 'opstaan' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opstaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opstaand
Past participle - Verleden deelwoord: opgestaan

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksta op
jijstaat op
hijstaat op
wijstaan op
julliestaan op
zijstaan op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben opgestaan
jijbent opgestaan
hijis opgestaan
wijzijn opgestaan
julliezijn opgestaan
zijzijn opgestaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstond op
jijstond op
hijstond op
wijstonden op
julliestonden op
zijstonden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas opgestaan
jijwas opgestaan
hijwas opgestaan
wijwaren opgestaan
julliewaren opgestaan
zijwaren opgestaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opstaan
jijzult opstaan
hijzal opstaan
wijzullen opstaan
julliezullen opstaan
zijzullen opstaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgestaan zijn
jijzult opgestaan zijn
hijzal opgestaan zijn
wijzullen opgestaan zijn
julliezullen opgestaan zijn
zijzullen opgestaan zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opstaan
jijzou opstaan
hijzou opstaan
wijzouden opstaan
julliezouden opstaan
zijzouden opstaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgestaan zijn
jijzou opgestaan zijn
hijzou opgestaan zijn
wijzouden opgestaan zijn
julliezouden opgestaan zijn
zijzouden opgestaan zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijsta op


!

Translations

Dutch verb "opstaan"

Get up, stand up

Rise to one’s feet

To be resurrected

To rise to one’s feet

4 translations found.

Additional Information